De Dwangarbeiders:
De noodgreep van de bezetter
In 1944 was het de Duitsers wel duidelijk dat de oorlog verloren dreigde te gaan. Als laatste redmiddel moesten er diepe grachten rondom strategische knooppunten en rivieren komen waar tanks niet zomaar overheen konden. Zwolle, als toegangspoort tot het noorden en oosten van Nederland, was zo’n cruciaal knooppunt.
Vanaf september 1944 begonnen de grootschalige razzia's en oproepen voor de Arbeitseinsatz. Mannen tussen de 16 en 60 jaar oud werden verplicht zich te melden. Wie weigerde, riskeerde zware straffen of deportatie.
Het graven van de tankgracht
De tankgracht rond Zwolle liep in een grote boog om de stad, onder andere langs de IJssel, door de landerijen bij de buurtschappen Schelle en Oldeneel, en richting Berkum. Het werk was fysiek moordend:
Zwaar handwerk: Er waren nauwelijks machines. Alles moest met de schop en de kruiwagen worden uitgegraven. De grachten moesten meters breed en diep worden om effectief te zijn.
Extreme kou: De winter van 1944/1945 was een van de koudste winters van de twintigste eeuw (de Hongerwinter). De grond was vaak diep bevroren, wat het graven nagenoeg onmogelijk en loodzwaar maakte.
Slechte omstandigheden: De dwangarbeiders (vaak 'spitters' genoemd) kregen nauwelijks te eten. Ze kampten met bevriezingsverschijnselen, uitputting en ziektes zoals tyfus.
De dwangarbeiders: Lokalen en 'evacués'
Niet alleen Zwolse mannen werden aan het werk gezet. De bezetter bracht ook duizenden mannen uit andere delen van het land naar Zwolle. Grote groepen dwangarbeiders kwamen bijvoorbeeld uit Apeldoorn, Den Haag en Rotterdam (na de grote razzia's daar).
Omdat er voor deze duizenden mannen geen normale huisvesting was, werden ze onder erbarmelijke omstandigheden ondergebracht in Zwolse scholen, kerken en loodsen (zoals de veemarkthallen). Lokale Zwolse gezinnen probeerden de mannen waar mogelijk te helpen met een extra deken of wat illegaal eten, ondanks dat ze zelf ook zware honger leden.
Voortdurende angst voor luchtaanvallen
Naast de kou en de honger was er constante doodsangst. De geallieerde luchtmacht (met name de Engelse RAF) vloog dagelijks over om Duitse stellingen te bestoken. De open vlaktes waar de tankgracht werd gegraven, boden geen enkele beschutting. Regelmatig werden de spitters en hun Duitse bewakers onder vuur genomen door jachtvliegtuigen, wat leidde tot doden en gewonden onder de dwangarbeiders.
De erfenis
Toen Zwolle op 14 april 1945 eindelijk werd bevrijd door de Canadezen, bleek de tankgracht militair gezien nauwelijks effectief te zijn geweest. De Canadezen omzeilden de linies vaak of legden snel noodbruggen aan.
De tankgracht liet diepe sporen na. Direct na de oorlog zijn de grachten door de Zwolse bevolking en met behulp van NSB-gevangenen weer dichtgegooid om het landschap te herstellen. Hoewel er in het Zwolse landschap (zoals bij de IJsseloevers en in Berkum) bovengronds bijna niets meer van te zien is, leeft de herinnering aan de angst, de kou en de dwangarbeid nog altijd voort in de lokale geschiedenis.
